Schmerz und Trost

Programma rondom 'Membra Jesu Nostri' van Buxtehude

Programma

  • Dietrich Buxtehude (1637-1707): Cantatecyclus ‘Membra Jesu Nostri’
  • Matthias Weckmann (1615-1674): Wenn der Herr die Gefangnen (psalm 126)
  • Johann Kuhnau (1660-1722): Cantate ‘Gott sei mir gnädig nach deiner Güte’ (psalm 51)

Toelichting bij het programma
Johann Sebastian Bach kende vele illustere voorgangers wier namen ons nu tamelijk onbekend in de oren klinken. De laatste decennia is pas gebleken hoeveel prachtige kerkmuziek er is geschreven in de periode tussen Schütz en Bach. Italië was toen het grote voorbeeld en de Duitse componisten uit de 17e eeuw combineerden de Italiaanse stilistische noviteiten met het eigen gedegen vakmanschap. Uit dit samengaan van oud en nieuw ontstond een rijke, welluidende stijl vol afwisseling en subtiele schoonheid, die de weg baande voor de kunst van Johann Sebastian Bach en de uitbundiger muziek uit de laatbarok.

In ons programma concentreren we ons op drie belangrijke componisten uit deze periode en brengen we een tijdlijn aan. Matthias Weckmann, in het midden van de 17e eeuw, een leerling van Schütz, Dietrich Buxtehude aan het einde van de 17e eeuw en Johann Kuhnau aan het begin van de 18e eeuw, de directe voorganger van Bach.

Het noorden van Duitsland werd in de 17e eeuw getroffen door twee grote catastrofes: de Dertigjarige Oorlog en de pest. De soms heel directe confrontatie met al deze ellende heeft componisten uiteraard sterk beïnvloed. Hun muziek is eerder intiem en fijnzinnig dan uitbundig en heeft een bijzondere melancholie. Er klinkt echter ook altijd hoop in door. Dat geldt zeker voor de beide cantates die het voornaamste werk van het programma, Membra Jesu Nostri, flankeren. Met deze passiemuziek vormen zij dan ook een mooi ‘contrapunt’.

Van de componisten die de ‘missing link’ vormen tussen Schütz en Bach draagt Dietrich Buxtehude als sinds geruime tijd het predicaat ‘belangrijkste componist voor Bach’. Inmiddels is er ook alom waardering voor de muziek zelf. Aan die waardering heeft zijn Membra Jesu Nostri sterk bijgedragen. Het werk heeft in vrij korte tijd grote bekendheid gekregen. Buxtehude was een meester in het verklanken van stemmingen en nergens horen we dat zo fraai als in dit werk.
De cantatecyclus werd in 1680 door Buxtehude gecomponeerd als passiemuziek en is aan zijn vriend graaf Gustav Düben – hofkapelmeester aan het Zweedse hof – opgedragen. Hoewel als zeven losse delen uitgegeven, kan men er toch van uitgaan dat het de bedoeling was ze als een cyclus op te voeren.
De tekst die Buxtehude gebruikt voor zijn compositie gaat terug op de tekst: Rhytmica oratio ad unum quodlibet membrorum Christi patientis et a cruce pendentis. Een middeleeuwse devoot gedicht met meditaties over de gewonde lichaamsdelen van de gekruisigde Jezus. Buxtehude voegde hieraan teksten toe uit het Oude Testament en Hooglied.

Enkele decennia eerder worstelden de berooide Duitse vorstenhoven nog met de financiële gevolgen van de Dertigjarige Oorlog. Geen ideale situatie voor de beginnende componist Matthias Weckmann. Deze goede leerling van Schütz wist zich echter in Hamburg als cantor/organist te ontwikkelen tot een van de belangrijkste componisten van zijn generatie. Met de stichting van het Collegium Musicum speelde hij een cruciale rol in het muziekleven van Hamburg. Weckmann betoont zich een waardige leerling van Schütz in zijn aandacht voor de prosodie van de tekst. Zijn Geistliches Konzert Wenn der Herr die Gefangnenis daar een goed voorbeeld van. Deze cantate is bovendien vol harmonische vondsten en fraaie polyfonie, opvallend genoeg ook in de instrumentale stemmen.

Leipzig was in het begin van de 18 eeuw een welvarende stad. Johann Kuhnau werd in 1701 cantor van de Thomaskirche, een prestigieuze baan. Hijwas de directe voorganger van Johann Sebastian Bach. Hij stond niet te boek als progressief: het was zijn aspiratie om de pure kerkstijl te handhaven en hij was wars van opera-achtige invloeden. Maar zijn muziek kent een grote eigenheid. Zijn psalmzetting Gott sei mir gnädig is harmonisch rijk en kent vele expressieve passages en fugatische delen met fraaie melodieën. Om zijn opvolging ontstond een controverse en uiteindelijk ging de post naar de derde keus … Johann Sebastian Bach.

Literaire bijdrage
De roman ‘De naald en de vliegende draad’ van Gerdien Verschoor heeft de recente geschiedenis van Polen als decor. Gedurende een lange nacht beweent een moeder de dood van haar zoon en ziet onderwijl een leven in filmische scènes aan zich voorbij trekken.

Heden en verleden vloeien in dit boek harmonieus in elkaar over, met een structuur die volgens de verantwoording is ontleend aan de cantatecyclus Membra Jesu Nostri van de componist Buxtehude. De zeven delen waaruit het boek bestaat zijn, parallel aan de cantatecyclus, alle gewijd aan een lichaamsdeel van haar zoon, zoals zijn handen, zijn borst.

Tijdens de uitvoering zal Gerdien Verschoor fragmenten uit haar boek voorlezen, voorafgaand aan  de bijbehorende cantate van Buxtehude. Het muzikale lijdensverhaal krijgt daarmee een mooie vermenselijking (of ‘secularisering’) en actualisering.

Datum
Tijd
20.15 uur
Locatie
Lutherse Kerk, Spoorwegstraat 8-10, Arnhem
Toegang
€ 16